Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Persoonlijke hulpmiddelen
Overgaan naar content. Zoeken FAQ Help Over ons

European Network - Belgian Safe Work Information Center (BeSWIC) - BELGIUM

OSHA-netwerk

Selecteer talen:

U bent hier: Home Thema's Collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen Collectieve beschermingsmiddelen (CBM’s) Collectieve beschermingsmiddelen tegen fysische agentia

Collectieve beschermingsmiddelen tegen fysische agentia

Om de mensen op een werkplaats af te schermen van gevaren, kunnen collectieve beschermingsmiddelen (CBM’s) geïnstalleerd worden. Vaak zullen deze CBM’s beschermen tegen “fysische agentia” op het werk: lawaai en trillingen, verlichting, klimaat en straling.

Collectieve beschermingsmiddelen tegen lawaai

Blootstelling aan lawaai op het werk kan leiden tot (soms onherstelbare) gehoorbeschadiging, hoofdpijn, maagzweren, hart- en vaatziekten, stress, ... Lawaai kan ook leiden tot een vermindering van de spraakverstaanbaarheid, werkprestaties en concentratie. Het is dus duidelijk dat blootstelling aan lawaai op het werk moet aangepakt worden omwille van de goede gezondheid en veiligheid van alle werknemers.

Vanaf een actieniveau van 80dB(A) moeten maatregelen tegen lawaai genomen worden: informatie en opleiding geven, en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) ter beschikking stellen.

Vanaf een actieniveau van 85 dB(A) moeten preventieprogramma’s worden opgesteld en lawaaizones duidelijk aangeduid. Het dragen van PBM’s is dan verplicht.

De grens van 87 dB(A) mag niet overschreden worden.

De waarden van 80, 85 en 87 dB(A)zijn de grenzen van de  dagelijkse blootstelling aan lawaai, een tijdsgewogen gemiddelde van de niveaus van blootstelling aan lawaai op een werkdag van acht uur.

Hoewel er vaak in de eerste plaats gedacht wordt aan PBM’s om de werknemer te beschermen tegen lawaai, zijn er andere maatregelen die eerst genomen moeten worden. Bijvoorbeeld alternatieve werkmethodes zoeken, lawaai-arme arbeidsmiddelen kiezen en de arbeidsplaats anders indelen.

Bovendien zijn er verschillende collectieve beschermingsmiddelen (CBM’s) die het gevaar “lawaai” sterk kunnen inperken:

  • omkastingen: de lawaaibron (bv. machine) wordt in een geïsoleerde omkasting gezet en ook binnen de omkasting wordt het lawaai geabsorbeerd. Een goede omkasting kan het geluidsniveau met 30dB(A) terugdringen
  • geluidsisolerende bekleding: wordt direct aangebracht op het oppervlak van een machine
  • geluidsdempers: gebruikt voor de aan- en afvoer van lucht (bv. ventilatoren, motoren, ...)
  • machines trillingsvrij opstellen met trillingsisolatoren
  • absorptiemateriaal, zoals absorberende baffles (platen) of geluidsschermen. Voorbeelden van absorberend materiaal zijn minerale wol, schuim en geëxpandeerde houten platen. Als algemene regel geldt dat zachte en poreuze materialen geluid goed absorberen, terwijl harde materialen als beton nauwelijks of niet absorberen
  • isolatie van wanden, vloeren en deuren: het is logisch dat vooral harde materialen, zoals beton of baksteen, goed isoleren. Harde materialen zullen minder trillen, waardoor lawaai zich minder goed kan voortplanten
  • geluidsisolerende cabines: hier wordt niet de lawaaibron omkast, maar de mensen die aan het lawaai worden blootgesteld
  • verende materialen gebruiken: vilt, kurk, rubber, springveren, ... kunnen trillingen en daarom ook lawaai stoppen. Een voorbeeld is een “silent bloc” onder een machine. Zo’n blok verhindert dat trillingen worden overgebracht naar de grond en zo naar de rest van het gebouw
  • geluiddicht glas

In de praktijk zullen verschillende van deze CBM’s met elkaar gecombineerd moeten worden om tot een optimaal resultaat te komen.

Collectieve beschermingsmiddelen tegen trillingen

Het fysische agens “trillingen” is al deels aan bod gekomen: lawaai is ten slotte ook een trilling. Daarom hebben lawaai en trillingen bepaalde beschermingsmaatregelen gemeen: trillingsarm materiaal gebruiken, ervoor zorgen dat de werknemers niet de hele tijd aan trillingen worden blootgesteld, andere werkmethodes zoeken en de werkplaats verstandig inrichten.

In België geldt het KB van 7 juli 2005 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van mechanische trillingen op het werk (Codex, Titel IV, Hoofdstuk IV).

Er bestaan twee soorten trillingen:

  • hand-armtrillingen: deze trillingen worden overgezet op de pols, elleboog en schoudergewrichten. Ze worden o.a. veroorzaakt door handwerktuigen
  • lichaamstrillingen: worden overgezet op het hele lichaam (via de voeten en het zitvlak). Ze worden veroorzaakt door o.a. machines en voertuigen

Blootstelling aan trillingen op het werk kan leiden tot vermoeidheid, misselijkheid en duizeligheid, spier-, pees- en botletsels, ...
Vanaf een blootstelling van 2,5 m/s2 voor hand-armtrillingen en 0,5 m/s2 voor lichaamstrillingen, moet preventieve actie worden ondernomen. De grenswaarden (dus de maximaal toegestane  dagelijkse blootstelling aan trillingen) mag voor hand-armtrillingen niet boven de 5 m/s2 gaan en voor lichaamstrillingen niet boven de 1,15 m/s2.

Mogelijke collectieve beschermingsmiddelen (CBM’s) tegen trillingen zijn:

  • het ingraven van machines die veel trillingen opwekken (dit is eerder een maatregel dan een middel)
  • absorberende vloermatten die op het trillende werkplatform worden gelegd
  • toestellen aankopen die voorzien zijn van schokdempers, vering, demping en antitrillingshandvatten. Voorbeelden van verende materialen zijn springveren en luchtkussens. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld trillingsgedempte zetels op de markt.
  • isolatie: vermijdt dat trillingen zich verder voortplanten

Collectieve beschermingsmiddelen tegen verlichting

Verlichting hoeft niet meteen een gevaar op de werkplaats te vormen.

Toch is een goede verlichting essentieel voor de gezondheid en veiligheid van alle werknemers. Slechte verlichting kan immers leiden tot vermoeidheid, hoofdpijn en zo tot verminderde concentratie. Dit kan dan weer nefast zijn voor de veiligheid van de mens.

Bij het installeren van een goede verlichting, moet aandacht besteed worden aan volgende zaken:

  • vermijd sterke contrasten tussen licht en donker. Zorg dus voor voldoende verlichting en denk eraan dat er voor sommige activiteiten, zoals heel nauwkeurige werkjes, meer licht nodig is. Zorg ervoor dat het licht voldoende verspreid is over het hele werkoppervlak en over de hele werkplaats
  • vermijd verblinding door sterke lichtbronnen. Om het licht van bijvoorbeeld een lasactiviteit af te schermen van de andere personen in de werkplaats, kunnen doorzichtige, gekleurde lamellen gebruikt worden
  • denk eraan dat oudere mensen meer licht nodig hebben dan jonge mensen

Collectieve beschermingsmiddelen tegen klimaat (warmte en koude, vocht en wind)

De mens is gevoelig voor warmte, koude en plotse temperatuursveranderingen. Tegelijkertijd is het aanvoelen van warmte of koude vaak erg subjectief.

Hoe dan ook moeten er maatregelen genomen worden om de temperatuur op de werkplaats onder controle te houden en om werknemers die blootgesteld worden aan extreme temperaturen te beschermen.

Daarvoor kunnen volgende collectieve beschermingsmiddelen ingezet worden:

  • afscherming van een warmte- of koudebron, bv. door isolatiemateriaal omheen de bron aan te brengen
  • overkappingen met mechanische afzuiging voor het afzuigen van warme lucht
  • het plaatsen van wanden en schermen die de warmte (straling) reflecteren of absorberen
  • warme oppervlakken bedekken met witte of gealuminiseerde verf, zodat er minder thermische straling is (dit is eerder een beschermingsmaatregel dan een technisch beschermingsmiddel)
  • sproei-installaties om bijvoorbeeld een gebouw vanbinnen koel te houden
  • om de warmte buiten te houden: dubbele beglazing of de wanden van een gebouw of installatie buiten de zonnestraling oriënteren
  • installaties die gekoelde lucht binnenblazen: wel opletten dat er geen nieuwe risico’s ontstaan, zoals spierpijn door tocht
  • algemene ventilatie: warme lucht wordt verwijderd en koude lucht wordt op de werkplaats binnengebracht

Collectieve beschermingsmiddelen tegen straling

Bij straling moet een onderscheid gemaakt worden tussen ioniserende en niet-ioniserende straling.

Niet-ioniserende straling heeft te weinig energie om atomen te ioniseren.

Ioniserende straling heeft deze energie wel. Daardoor worden atomen elektrisch geladen en treedt ionisatie op. Ioniserende straling kan bij lage dosissen schade aanbrengen aan het DNA van de mens en is daarom potentieel zeer gevaarlijk. Bij hoge dosissen kunnen ook acute verwondingen optreden.

Niet-ioniserende straling

Er zijn verschillende soorten niet-ioniserende straling: ultraviolette straling, infraroodstraling, laserstraling, ... Sommige straling is zichtbaar, andere straling niet. En ten slotte heb je natuurlijke en kunstmatige bronnen van straling.

Niet-ioniserende straling kan gevaarlijk zijn. De gezondheidseffecten hangen af van de aard van de straling, de stralingsenergie, de intensiteit en de tijdsduur van de bestraling.

Op de werkplaats (binnen of buiten) kan je niet-ioniserende straling o.a. terugvinden in volgende toepassingen:

  • zonlicht (vooral ultraviolette straling)
  • lampen: TL-buizen, gloeilampen, gasontladingslampen, ...
  • las- en snijactiviteiten
  • werken met lasers

De belangrijkste wettelijke bepalingen i.v.m. niet-ioniserende straling op het werk zijn terug te vinden in het  KB van 22 april 2010 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van kunstmatige optische straling op het werk.

Let op! Niet alle vormen van niet-ioniserende straling worden door dit KB gedekt.

Het belangrijkste collectieve beschermingsmiddel tegen niet-ioniserende straling is afscherming. Dit kan op verschillende manieren:

  • het glas in de ramen van een gebouw beschermt tegen de ultraviolette straling van de zon
  • absorberende schermen, zoals metaalplaten die voor antennes worden geplaatst
  • reflecterende schermen, bv. aluminium schermen voor industriële ovens
  • afgeschermde ramen, bv. bij werken met lasers
  • omkasting van een laserinstallatie

Vaak worden deze CBM’s gecombineerd met andere vormen van preventie: afstand houden van de stralingsbron, de blootstellingstijd beperken, ...

Ioniserende straling

De belangrijkste wettelijke bepalingen i.v.m. ioniserende straling op het werk zijn terug te vinden in het KB van 25 april 1997 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's voortkomende uit ioniserende straling.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen elektromagnetische straling (gammastraling en röntgenstraling) en deeltjesstraling (alfastraling, bètastraling en neutronenstraling).

In de werkomgeving komt ioniserende straling o.a. in de volgende context voor:

  • medische toepassingen, zoals beeldvorming of het behandelen van kanker
  • het opwekken van energie, bv. in kerncentrales
  • ioniserende brandmelders (verboden)
  • meettoestellen
  • natuurlijke grondstoffen en radon

Wanneer bestraling en besmetting met ioniserende straling mogelijk is, dringen strikte preventiemaatregelen zich op.

Die beschermingsmaatregelen zijn eigenlijk dezelfde als die tegen blootstelling aan niet-ioniserende straling, namelijk voldoende afstand houden, de blootstellingsduur beperken en de stralingsbron afschermen.

Specifiek voor ioniserende straling is dat er met vergunningen moet worden gewerkt (het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of FANC speelt hier een belangrijke rol). Bovendien moeten werknemers meestal hun blootstelling meten met behulp van dosimeters.

Op vlak van CBM’s die beschermen tegen ioniserende straling, kunnen volgende toepassingen vermeld worden:

  • afschermingen: het gebruikte materiaal en de dikte van de afschermingen hangen af van de blootstelling aan de straling. In de radiologie worden bijvoorbeeld loodschermen en loodramen gebruikt om  X-stralen op te vangen en te absorberen
  • CBM’s die bij het behandelen van gevaarlijke stoffen worden gebruikt: trekkasten, handschoenkasten en ventilatie

Meer informatie