Oorlogsmunitie op bouwplaatsen: geen verwaarloosbaar risico

Op bouwplaatsen zijn er diverse situaties aanwezig die aanleiding kunnen geven tot tal van risico’s.

Op bouwplaatsen zijn er diverse situaties aanwezig die aanleiding kunnen geven tot tal van risico’s. Eén van de niet alledaagse risico’s, maar daarom niet minder belangrijk, is de aanwezigheid van oorlogsmunitie, zeker in de streek langs de frontlinie van de eerste wereldoorlog (WO I) in West-Vlaanderen of nabij strategische infrastructuur, zoals spoorwegen, die in de tweede wereldoorlog (WO II) hevig werden gebombardeerd.         

Reglementair kader voor bouwplaatsen

Voor de preventie van risico’s op bouwplaatsen is er een specifiek reglementair kader voorzien met het KB van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen. Meer informatie en het wettelijk kader vindt u op de website van de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg: Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen

Recente ongevallen

Het ongeval van 19 maart 2014 met 2 dodelijke werknemers in Ieper bewijst dat er nog risico’s zijn met oorlogsmunitie van WO I. Meer info daarover op deze nieuwskanalen:

Ook niet-ontplofte bommen uit WO II worden nog regelmatig gevonden. Het incident van 24 december 2013 zonder dodelijke afloop in de buurt van het goederenrangeerstation van Merelbeke-Gentbrugge bewijst dit. Tijdelijk werd het noodplan van Gent afgekondigd en waren er verplichte evacuaties in een straal van 300 meter.

Meer info daarover op:

Ook in het buitenland zijn er dodelijke ongevallen met oude oorlogsmunitie. Op 3 januari 2014 ontplofte in Duitsland een bom bij graafwerkzaamheden op een werf met één dodelijk slachtoffer. Meer info op DH.be: Allemagne: une bombe de la Seconde Guerre mondiale explose, un mort

Gevaren en maatregelen met oorlogsmunitie

Hoe men kan omgaan met oorlogstuig en welke acties men kan ondernemen, wordt goed uitgelegd in het artikel “Oorlogsmunitie op bouwplaatsen” in het nr. 181 van “Veiligheidsnieuws”, het magazine van de preventieadviseur.

Bij het detecteren van oorlogsmunitie, worden volgende aanbevelingen gedaan:

  • Geen verdere manipulatie van de munitie
  • Werken onmiddellijk stoppen
  • Politie verwittigen
  • Evacuatie van de site en evacuatie loodrecht op de windrichting als er een vreemde geur of rook waarneembaar is
  • Onthoud de juiste ligplaats en baken af met materiaal die vanop ruime afstand herkenbaar is
  • Verwittig al het aanwezige personeel en eventuele derden op de bouwplaats
  • Sluit de toegang tot de vindplaats af
  • Wacht op de aankomst van de politie en of hulpdiensten.

Bij de werkzaamheden van het stationsproject “Mechelen in Beweging” houdt men in bijzondere nood- en interventieplannen rekening met niet-ontplofte springtuigen uit WOII; meer info op de website van:

Geen verwaarloosbaar risico

De reële aanwezigheid van niet-reglementaire munitie op het nationaal grondgebied wordt bevestigd door 3000 jaarlijkse interventies van DOVO op dergelijke niet ontplofte munitie. Tijdens die interventies wordt per jaar een gemiddelde van 250 ton aan niet-reglementaire munitie opgehaald en in de diverse installaties van Defensie verwerkt.

Meer info in hoger vermeld artikel van Veiligheidsnieuws en op de website van de krant ‘Het belang van Limburg’: DOVO rukte meer dan 3.000 keer uit in 2012

Uit het cijfermateriaal blijkt dat de mogelijke risico’s bij werkzaamheden op een bouwplaats in de omgeving van de toenmalige stellingenoorlog in West-Vlaanderen, in geen geval verwaarloosbaar zijn. In de VGM-plannen van deze bedrijven een blootstellingscore “zelden” toekennen, zou tegenstrijdig zijn met deze harde cijfergegevens.

Landbouwactiviteiten (ploegen, eggen) en grond- en graafwerkzaamheden zijn de klassieke activiteiten waarbij men op munitie kan botsen. Het bouwrijp maken van terreinen, leidingtracés op het vasteland en op de zeebodem en baggerwerkzaamheden zijn voorbeelden van graafwerkzaamheden. In uitzonderlijke gevallen kan men zelfs een bom vinden tussen het schroot.

Trillingen kunnen niet-ontplofte munitie ook ontsteken. Informatie over veiligheidsafstanden ingeval van heiwerkzaamheden in verdacht gebied vindt u in de publicatie “Trillingen in conventionele explosieven verdacht gebied (PDF)

Hieronder enkele berichten en artikels over activiteiten waar men obussen kan tegenkomen:

In de buurt van chemische bedrijven moet men wel speciale maatregelen nemen. Een mooi voorbeeld hiervan waren de werkzaamheden in Rieme. In een periode van enkele jaren is de buurt wel verschillende keren moeten worden geëvacueerd. Meer info in vandaag.be: 120 gezinnen moesten huis verlaten voor ontmanteling bom

Beperkt overzicht van incidenten

Hierboven werden voorbeelden aangehaald van het vinden van oorlogsmunitie.

Enkele weken voor het dodelijk ongeval in Ieper, was er ook al een massale vondst op 25 februari 2014 in Passendale. Meer info in dit nieuwsbericht: Honderden projectielen opgegraven in Moorslede

Ook bij werkzaamheden in steden, zoals Brussel en Namen, stoot men op bommen; zie deze berichten:

Via enkele zoekfuncties op kernwoorden, zoals bommen, munitie, DOVO, enz., van kranten- en nieuwswebsites kan u nog meer berichtgeving daarover vinden:

Ook enkele buitenlandse websites maken soms goede overzichten van vondsten; meer info op de website van:

Ook tijdens het ontmantelen zelf van oorlogsmunitie of andere munitie bij legeroefeningen door gespecialiseerde bedrijven en legerpersoneel, zoals DOVO, kan toch nog het één en het ander fout lopen.

Op 22 augustus 2012 was er een ontploffing op het schietterrein van het leger in Houthalen-Helchteren. Zeven ontmijners van de kazerne Meerdaal waren daar oude munitie aan het opruimen. Het kruit uit die munitie is opeens spontaan in brand gevlogen. Er was één dode, drie zwaar gewonden en drie lichtgewonden. Meer informatie in dit nieuwsbericht van de krant ‘Het belang van Limburg’: 7 gewonden na ontploffing op schietterrein van het leger

Goede informatiedoorstroming en communicatie

Bij al deze activiteiten is een goede communicatie van essentieel belang.

Ten eerste moet er vooraleer te graven een inschatting van de risico’s gebeuren. Zoals hierboven vermeld is dit in bepaalde streken niet verwaarloosbaar. Alle actoren van het bouwproces moeten hierbij betrokken worden, zoals bouwheer, aannemer, architect, bouwcoördinator,...

Het stoten op oorlogsmunitie bij het graven in de grond is een kritieke fase en moet dus in het veiligheids- en gezondheidsplan worden opgenomen. De veiligheidscoördinator verwezenlijking moet die kritische fase controleren zoals voorgeschreven in het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.

Bij de projectplannen of bestekken van Aquafin en Fluxys wordt dit standaard opgenomen:

Ook in Vlaanderen en in Nederland zijn er goede voorbeelden van veiligheids- en gezondheidsplannen van bedrijven en activiteiten waarbij verwezen wordt naar het risico van niet-ontplofte oorlogstuigen:

Desnoods kan de omgeving via een vooronderzoek in kaart worden gebracht, al of niet met radardetectie. Er zijn gespecialiseerde bedrijven, zoals:

Als u op een zoekmachine de woorden “ground penetrating radar” invult, dan vindt u ook wat informatie over detectoren. Let wel op! Volgens het Vlaams erfgoeddecreet moet u hiervoor een vergunning hebben.

Bij de aanleg van een aardgasleiding tussen Alveringem en Maldegem is de ondergrond in kaart gebracht; meer info in deze berichten uit “Het Nieuwsblad”:

De volledige organisatie van een bedrijf moet weten hoe te handelen bij het vinden van een bom. Van essentieel belang is dat de uitvoerders de correcte handelingen treffen en de desbetreffende diensten verwittigen. Ook anderstaligen moeten weten wat te doen. Bekijk in dat verband dit ludieke filmpje over het instrueren van Polen die in de landbouw komen helpen en op een obus kunnen botsen (fragment uit de TV uitzending “Man bijt hond”): West-Vlaamse boeren op Man Bijt Hond

Daarna moet men de respectievelijke hulpdiensten en DOVO zijn werk laten doen, zoals uit de hoger vermelde artikels van DOVO blijkt.

Aansprakelijkheid en vergoedingen

Indien het een arbeidsongeval is, dan is de arbeidsongevallenwetgeving van 10 april 1971 van toepassing. Daarnaast kunnen nog specifieke compensatieregels van toepassing zijn:

  • de militaire oorlogsinvaliden worden erkend door de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën, Administratie der (Oorlogs)pensioenen
  • de burgerlijke oorlogsslachtoffers worden erkend door de FOD Sociale Zekerheid, Directie-generaal Oorlogsslachtoffers
  • De oorlogspensioenen of -renten worden voor alle categorieën van oorlogsslachtoffers uitgekeerd door de FOD Financiën, Administratie van de Thesaurie, CDVU – Oorlogspensioenen. Meer info: Nationale Kas voor Oorlogspensioenen

De wettelijke basis voor de vergoeding van burgerlijke oorlogsslachtoffers zijn de gecoördineerde wetten van 19 augustus 1921 betreffende het herstel te verlenen aan burgerlijke oorlogsslachtoffers 1914-1918 of de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden. Evenwel moet men de Belgische nationaliteit hebben om voor die vergoeding in aanmerking te komen.

Omdat bij het dodelijk ongeval van 19 maart 2014 niet-Belgen betrokken waren, geeft dit aanleiding gegeven tot wetgevende initiatieven om het toepassingsgebied uit te breiden:

Occasionele redders die vrijwillig hulp bieden en getroffen worden door de ontploffing van een oorlogstuig, kunnen worden vergoed door het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

Opslag van oorlogsmunitie en andere explosieve tuigen

Na de twee wereldoorlogen zijn er in Europa massaal niet ontplofte of niet gebruikte bommen in zee gedumpt bij gebrek aan opslagcapaciteit op het vaste land. Het toenmalig beperkte milieubesef leidde ertoe dat men dat als gemakkelijkheidsoplossing verkoos om op korte termijn van die gevaarlijke tuigen af te zijn.

Tot 1972 werd er ook nog regelmatig “twijfelachtige munitie” met schepen in de Golf van Biskaje gedumpt. Als gevolg van o.a. het Verdrag van Oslo van 1972 (ook gekend als het Ospar-verdrag) werd deze en andere dumpactiviteiten in de zee gestaakt. Meer info op de website van de OSPAR Commission.

Die organisatie heeft ook volgende documenten opgesteld:

Na het dumpverbod werd de oorlogsmunitie bovengronds opgeslagen. In 1995 was de ontmantelingsinstallatie in Poelkapelle voltooid, maar duurde het tot 1999 tot ze volledig operationeel was.

Meer informatie over de activiteiten van DOVO en de ontmantelingsinstallatie van toxische munitie in Poelkappele vindt u in deze artikels die werden opgesteld in het kader van een activiteit van Prebes:

In 2014 is deze ontmantelingsinstallatie niet meer volledig operationeel. In 2016 wordt er een nieuwe installatie voorzien. Meer info in deze uitzending van Radio 2 West-Vlaanderen: Persdag bij DOVO in Poelkapelle.

Naast Poelkapelle beschikt het Belgisch leger nog over 2 locaties voor springtuigen. In Meerdaal is er een opslagplaats voor in beslag genomen vuurwerk en explosieven en zit ook de generale staf van de ontmijningseenheid. Zeebrugge beheert de duikschool en is voornamelijk gespecialiseerd in oorlogstuigen van WO II.

Meer informatie over DOVO op de website van:

Een goed overzicht omtrent de ontmantelingstechnieken vindt u ook in dit themanummer van het naslagwerk ‘Chemische feitelijkheden’: Ontmanteling van chemische wapens (PDF)

Het artikel “Le lourd héritage des munitions de guerre” geeft een overzicht van de omvang van dit probleem.

Het boek “Oud IJzer” van Siegfried Debaeke geeft een realistisch beeld van het leven in de frontstreek, waarin de dramatische ongevallen met oorlogsmunitie elkaar opvolgden. De auteur gaat nader in op de opruiming en vernietiging, de jacht naar ijzer en koper en de oprichting van DOVO. Naast een hele resem uit het leven gegrepen verhalen biedt het boek ook technische uitleg over de verraderlijke niet-ontplofte granaten.

Munitiestort de “Paardenmarkt” in de Belgische Noordzee

Na de eerste Wereldoorlog werd er in de zee een grote hoeveelheid oorlogsmateriaal gestort op de "Paardenmarkt", een ondiepe zandplaat voor de kust van Knokke-Heist. De totale hoeveelheid gedumpt oorlogsmateriaal wordt geschat op zo'n 35.000 ton. Vermoedelijk bestaat ongeveer één derde uit chemische munitie, hoofdzakelijk gevuld met (di)fosgeen, chloorpicrine en Yperiet (mosterdgas).

Eind de jaren ’90 waren er de eerste wetenschappelijke onderzoeksprojecten om de situatie onder water op te volgen. Op 11 oktober 2002 werd er in een persconferentie meegedeeld dat er geen acuut gevaar is; meer info in het persbericht van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (PDF).

De toestand wordt periodiek opgevolgd door staalnames te verrichten van het zeewater. Op die manier weet men of er munitie lekt en zo een probleem voor de volksgezondheid kan vormen.

Het wetenschappelijk tijdschrift Eos-magazine publiceerde in 2013 twee artikels:

Op 8 november 2013 organiseerde het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) de studiedag “De Groote oorlog en de zee”. De studiedag is opgehangen aan de verzamelde expertise naar aanleiding van een themanummer van het tijdschrift “De Grote Rede” van het VLIZ. In dat nummer brengen meer dan 20 auteurs een relaas over diverse aspecten op het raakvlak tussen de Belgische Noordzee en kust en WO I, gaande van visserij, toegankelijkheid van stranden, zeewetenschappen, kustverdediging, raids op Zeebrugge en Oostende, het munitiestort van de Paardenmarkt, enz.

Meer info op de website van het VLIZ:

Meer info over het munitiestort op de “Paardenmarkt”:

Ook in Nederland zijn er al reportages geweest over oorlogsmunitie op de zeebodem: Munitiedump vormt 'tikkende tijdbom' op bodem Oosterschelde

Archeologische opgravingen

Amateur-archeologen wagen zich ook aan opgravingen. Dit is niet enkel risicovol voor hen, maar volgens het erfgoeddecreet wordt de munitie beschouwd als onderdeel van het Vlaamse patrimonium, waaraan ook verplichtingen verbonden zijn.

Als gevolg hiervan werd in 2004 door de diensten van de gouverneur van West-Vlaanderen deze publicatie uitgegeven: Omgaan met bodemvondsten opgravingen WO I (PDF)

Daarnaast hebben de amateur-archeologen een “Deontologische code voor detectoramateurs en verzamelaars van detectorvondsten in het Vlaams Gewest (PDF)” opgesteld. De Nederlandse vereniging voor metaaldetectie en amateurarcheologie heeft ook een huishoudelijk reglement opgesteld. Toch stierf in 2008 in Ploegsteert nog een verzamelaar. Meer info daarover in dit bericht op de website van de krant “L'Avenir”: Gravement blessé par un obus

In het kader van het erfgoeddecreet moesten de Diggers, een vereniging van amateur-archeologen die actief zijn rond het Ieperse oorlogsslagveld, zich in 2008 voor de rechtbank van Ieper verantwoorden. Meer info daarover in deze berichten op de website ArcheoNet:

Op hun website geven de Diggers een overzicht van de munitie die ze van 1998 tot 2001 hadden gevonden: Activiteiten van De Diggers - Bommen en granaten

Een overzicht van de archeologie in de Westhoek geeft Yannick Van Hollebeeke in zijn proefschrift: Archeologie van het conflict in Vlaanderen - Tien jaar professionele archeologie van de Eerste Wereldoorlog onder de loep (PDF).

Het opiniestuk van Sam De Decker rond de dodelijke bommen geeft het standpunt van een archeoloog naar aanleiding van het dodelijk ongeval in Ieper:

Aanpak in het buitenland

Nederland

In Nederland regelt de wet wapens en munitie het verbod om een wapen of munitie van de categorieën II en III van die wet voorhanden te hebben.

Bij het aantreffen van niet gesprongen explosieven (NGE) is de openbare orde en veiligheid in het geding en dat is conform de Gemeentewet een verantwoordelijkheid van de burgemeester. Om ongelukken met explosieven te voorkomen, hebben diverse gemeenten uit het oogpunt van openbare orde en veiligheid een detectorverbod opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Handhaving gebeurt door buitengewone opsporingsambtenaren (BOA).

De opsporing van explosieven is sinds 1998 geprivatiseerd. De particuliere opsporingsbedrijven dienen hun vooronderzoek en het opsporen en benaderen van niet-gesprongen explosieven uit te voeren volgens de Beoordelingsrichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven (BRL/OCE). Op 1 juli 2012 is de BRL/OCE vervangen door het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE).

Meer info over de certificatie:

Nederlandse bedrijven met informatie over het opsporen van NGE:

Het onschadelijk maken van niet-gesprongen explosieven wordt verricht door de Explosieven Ontruimingsdienst Defensie (EOD).

Op deze websites en in dit document vindt u heel wat informatie over NGE:

Parlementaire vragen aan en antwoorden van de Minister van Infrastructuur en Milieu over:

Projectplannen in Nederland:

Verenigd Koninkrijk

In het Verenigd Koninkrijk is er geen specifieke regelgeving hiervoor, maar valt oorlogsmunitie wel onder de algemene regelgeving ‘Construction Design and Management Regulation (CDM)’ van 2007. De C681 publicatie “Guidelines for dealing with UXO risk” van de ‘Construction Industry Research & Information Association’ (CIRIA) is een code van goede praktijk.

Tussen 2006 en 2009 zijn er 15000 oorlogstuigen van WO II van bouwplaatsen verwijderd. Ongeveer 5% hiervan kon nog ontploffen.

Hieronder nog enkele andere publicaties:

Noord Amerika

Voor Noord Amerika geeft dit artikel uit de “Dalhousie Journal of Interdisciplinary Management” een goed beeld: Risk Management For Unexploded Ordinance (UXO) In The Marine Environment (PDF)

Risico’s voor de bodem

Naast menselijk leed kan toxische oorlogsmunitie, zowel de metalen omhulling als de toxische inhoud zelf, ook een impact hebben op het aquatische en het terrestrische milieu.

Diverse studies tonen een verhoogde concentratie aan van o.a. lood en koper in de voormalige frontzone van WO I, maar de grenswaarden werden niet overschreden. Hieronder enkele publicaties en nieuwsberichten daarover:

Volgende Nederlandse webpagina en document zijn nuttig om de Nederlandse situatie te beschrijven:

De organisatie voor het verbod van chemische wapens

In de nasleep van WO I werd in 1925 in Genève het verdrag over de chemische wapens gesloten. Dit verdrag verbiedt het gebruik van chemische en biologische wapens (echter niet de ontwikkeling, de productie en het bezit ervan).

Het toezicht op dit verdrag is toevertrouwd aan de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons - OPWC), gevestigd in Den Haag.

Die organisatie kreeg in 2013 de Nobelprijs voor de Vrede: Meer info op de website van de OPWC: Media Advisory - Nobel Peace Prize

Over de inzet van gifgas geven deze webpagina’s en dit artikel een goed overzicht:

Het beleid van de FOD Buitenlandse Zaken met betrekking tot nucleaire ontwapening en non-proliferatie houdt zich bezig met het thema van de massavernietigingswapens

Ook de Organisatie van de Verenigde Naties neemt de problematiek ter harte. Op 9 en 10 augustus 2014 bezocht de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties België in het kader van de ruime context van de herdenking van WO I. Meer info daarover in dit bericht op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken: Herdenking 14-18 - De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zal België bezoeken op 9 en 10 augustus aanstaande

Mijnen, militaire installaties en ontmanteling

Diverse internationale organisaties en landen hebben hierover publicaties uitgegeven. Hieronder een beperkt overzicht:

Meer informatie