Waterstofsulfide: een dodelijk gevaar

Op 29 april 2012 raakte een landbouwer geïntoxiceerd door waterstofsulfide of H2S dampen toen hij een dompelpomp wou herstellen in een waterput. De landbouwer overleefde het niet. Dit ongeval toont nog maar eens aan hoe belangrijk het is om correcte procedures te volgen en geschikte beschermingsmiddelen te gebruiken wanneer men werkzaamheden uitvoert in putten en riolen.

Vorming van waterstofsulfide

Waterstofsulfide is een dodelijk gas dat ontstaat bij de omzetting van organisch materiaal door anaerobe en sulfaatreducerende bacteriën in een zuurstofarme omgeving op bijvoorbeeld de bodem van een septische put.

In het dagelijkse leven zijn er een aantal omstandigheden en plaatsen waar waterstofsulfide kan gevormd worden, zoals in waterputten en riolen.

Ook in een professionele context zijn er typische omstandigheden waar dit zich kan voordoen, zoals in waterzuiveringsinstallaties, storten en vergistingsinstallaties, in labo’s die het gas gebruiken, tijdens staalnames op schepen gevuld met ruwe aardolie of in de chemische industrie die deze stof zelf produceert of op plaatsen waar deze stoffen kunnen vrijkomen, zoals in raffinaderijen of tijdens de winning van aardolie.

Afwijkende gassamenstelling in vrije lucht

Vrije atmosfeerlucht bevat normaal 78% stikstof, 20,7% zuurstof en een aantal restgassen waaronder argon en koolstofdioxide de belangrijkste zijn. Onder normale omstandigheden schommelen deze concentraties nauwelijks, enkel het volumepercentage waterdamp (ca. 1%) fluctueert wat. In situaties waar de verluchting onvoldoende is en die men in het veiligheidsjargon omschrijft als “besloten ruimten” kunnen er echter wel afwijkingen voorkomen op deze natuurlijke gassamenstelling.

Deze afwijkingen zijn soms ongekend en onbedoeld, maar soms ook doelbewust gecreëerd. In de industrie worden opslagtanks soms doelbewust voorzien van een stikstofinertisatie om explosies te vermijden. Dit betekent dat men een gasruimte gaat “spoelen of verdunnen” met een inert gas om op die manier ongewenste gassen (zoals bijvoorbeeld zuurstof in dit geval) uit een ruimte te verwijderen. Ook in de voedingssector maakt men er weleens gebruik van. Voor een inertisatie gebruikt men vaak stikstof, maar soms ook andere inerte gassen, zoals argon, die op zich niet gevaarlijk zijn, maar wel een verstikkingsgevaar inhouden.

Om de gassamenstellingen te kennen die gevaarlijk zijn voor een persoon, is het meten van de gassamenstelling één van de elementaire veiligheidsprocedures.

Detectie van waterstofsulfide

Waterstofsulfide ruikt zoals rotte eieren. De geurdrempel is zeer laag en bedraagt 0,0005 ppm (ml/m3). De grenswaarde voor professionele blootstelling, zoals beschreven in het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende chemische agentia op het werk, bedraagt 5 ppm en de 15-minuten kortetijdswaarde is 10 ppm. Dit betekent dat het gas zelfs in zeer lage concentraties ook al met de neus kan geroken worden.

Ons reukorgaan kan echter geen onderscheid maken tussen 0,05 ppm en 5 ppm en raakt snel verzadigd (na enkele ademteugen nemen we het niet meer waar). Eigenlijk is de neus dus een bijzonder slechte raadgever om te weten of de (al dan niet) waargenomen concentraties een risico vormen voor de gezondheid.

Bovendien detecteert de neus dit gas helemaal niet meer in concentraties boven de 100 ppm. Bij blootstelling gedurende 5 minuten aan een concentratie van 800 ppm is er een kans van 50% dat men sterft. Het ruiken of niet-ruiken kan dus een vals gevoel van veiligheid geven.

Bij het betreden van besloten ruimten dient men dus niet enkel het zuurstofgehalte of de concentratie van explosieve dampen te meten met een gecombineerde zuurstof-explosiemeter, maar er zijn ook situaties, zoals hierboven aangehaald, waar andere dampen, zoals koolmonoxide (CO), kooldioxide (CO2), ammoniak (NH3), waterstofsulfide (H2S), enz. moeten gemeten worden. Voor het meten van waterstofsulfide bestaan er waterstofsulfidedetectoren.

In een aantal situaties worden andere zwavelcomponenten met een zeer lage geurdrempel (bijvoorbeeld tetrahydrothiofeen of mercaptaan) toegevoegd aan aardgas als voortijdige alarmering bij lekken, maar deze zwavelverbindingen zijn veel minder toxisch dan waterstofsulfide. In dit geval kan de neus dus wel gebruikt worden als vroegtijdige detectie voor gevaar.

Strikte procedures

Bij het betreden van ruimten met mogelijke afwijkende gassamenstellingen, in het veiligheidsjargon omschreven als “besloten ruimten”, zijn een aantal stappen te doorlopen en moeten maatregelen genomen worden. Men kan hier denken aan volgende niet-limitatieve lijst:

  • Voer de werkzaamheden nooit alleen uit
  • Laat de werkzaamheden uitvoeren door deskundig personeel; in de context werkgever-werknemer zijn er verplichte opleidingen en instructies voor de werknemers
  • Meet voorafgaand de ruimte met geschikte apparatuur om een inschatting te maken van de situatie; de meting moet blijvend gebeuren bij het uitvoeren van de werkzaamheden; in een aantal gevallen is een zuurstof en explosieve atmosfeermeting onvoldoende
  • Zorg voorafgaand dat een tweede persoon, een toezichter, bij noodsituaties van de persoon in de besloten ruimte, de noodprocedures kan opstarten, zoals hulpdiensten verwittigen. In een aantal gevallen zal dit onvoldoende zijn om de interventie tijdig uit te voeren en zal deze toezichter ook zelf interventies moeten uitvoeren. Dit kan maar als het geschikt materiaal ter plaatse is en beide personen hiermee al zijn uitgerust, opgeleid en medisch gekeurd zijn
  • In een aantal gevallen ligt de gassamenstelling van de atmosfeer te dicht bij de grenswaarde. Het is dan aan te raden perslucht via een luchtslang of via een persluchtfles te gebruiken. Filtermaskers hebben het risico te vlug verzadigd te geraken.
  • Wanneer de preventiehiërarchie geen uitkomst biedt, overweeg dan om deze risicovolle activiteit te vermijden en alternatieve technieken te gebruiken.

Strikte toepassing en controle

De strikte toepassing van procedures en maatregelen is noodzakelijk, onafhankelijk van het statuut van de uitvoerder, wil men niet gewond of dodelijk geïntoxiceerd worden.

De zelfstandigen staan in voor hun eigen veiligheid en gezondheid, maar lopen niettemin dezelfde risico’s. Ze doen er dus goed aan dezelfde maatregelen te treffen, los van het ontbreken van wettelijke bepalingen voor deze doelgroep.

De werknemers dienen de instructies van hun werkgever correct op te volgen. De werkgever zorgt er onder andere voor dat zijn werknemers opgeleid zijn rond deze risico’s, hij stelt het nodige materieel ter beschikking, hij stelt instructies op en ziet erop toe dat de werknemers deze instructies in de praktijk brengen. Ook de hiërarchische lijn van de werkgever heeft soortgelijke verplichtingen, zoals bepaald in artikel 13 het van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Het is uiteraard de arbeidsinspectie die toeziet op de toepassing, onder andere in het geval van ernstige arbeidsongevallen. Afgeleide controle-instanties en deskundigen die ook een rol kunnen spelen, zijn:

  • bij bouwactiviteiten de adviseurs van het Nationaal Actiecomité voor Veiligheid en Hygiëne in het Bouwbedrijf (NAVB)
  • bij opleidingen over deze risicovolle activiteit de opleidingsinstituten voor het behalen van het opleidingsattest in het kader van de Veiligheid, gezondheid en milieu Checklist Aannemers (VCA)
  • de VCA-auditoren in het kader een toekenning van het VCA-certificaat.

Doelgroep die risico loopt op waterstofsulfide-intoxicatie

Bij de zelfstandigen vindt men deze risico’s vooral terug in de landbouwsector (landbouwer en zijn gezin, loonwerker), maar ook bij zelfstandige ruimers van septische putten.

Bij werknemers denken we aan werknemers van gemeentelijke technische diensten die riolen betreden, werknemers van professionele reinigingsbedrijven, onderhoudstechnici van waterzuiveringsstations, surveyors bij controles van ruwe aardolie, laboranten, werknemers in de chemische industrie, enz.

Meer informatie